Grond telt niet mee voor de fosfaatruimte

Grond telt niet mee voor de fosfaatruimte

Een melkveehouder heeft in 2015 een gras-op-stamovereenkomst afgesloten met een stichting Provinciaal Landschap, waarbij hij het gras van ongeveer 20 ha natuurlijk grasland kocht. De stichting heeft de percelen opgegeven in de Gecombineerde opgave 2015. Bij de vaststelling van de fosfaatrechten liet RVO.nl het natuurlijk grasland buiten beschouwing, omdat dit op 15 mei 2015 niet tot het bedrijf van de melkveehouder behoorde. Daardoor was zijn bedrijf niet grondgebonden en werd de generieke korting toegepast.
In de beroepszaak voerde de melkveehouder aan, dat het natuurlijk grasland wel moest worden meegenomen bij het bepalen van de fosfaatruimte. Het ging er volgens hem niet om wie de landbouwgrond heeft opgegeven in de Gecombineerde opgave, maar om wie de feitelijke beschikkingsmacht had en meer in bijzonder wie het teelt- en bemestingsplan op elkaar kon afstemmen. Uit de afgesloten overeenkomst volgde dat de melkveehouder de feitelijke beschikkingsmacht had over het natuurlijk grasland en dat deze grond tot zijn bedrijf behoorde. Hij mocht niet uitsluitend het gras maaien, maar ook de percelen in overleg met de terreinbeheerder naweiden met runderen of schapen.

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelde dat de overeenkomst geen titel aan de melkveehouder gaf om de percelen te gebruiken. Dat bleek ook uit het feit dat de stichting had verklaard dat de melkveehouder het gewas kocht wat door de stichting was gewonnen. Uit wat de melkveehouder aanvoerde bleek ook niet dat hij het teelt- en bemestingsplan op elkaar kon afstemmen. De percelen konden slechts na overleg met de terreinbeheerder beweid worden met runderen of schapen. Daarmee was in overeenstemming dat niet de melkveehouder, maar de stichting de percelen had opgegeven in de Gecombineerde opgave 2015. Het College oordeelde dat de melkveehouder niet de feitelijke beschikkingsmacht had over het natuurlijk grasland en de grond daarom niet meetelde bij de fosfaatruimte.

Volgens de uitspraak pachtte de melkveehouder in 2016 en 2017 de betreffende percelen en gaf hij deze op in de Gecombineerde opgaven 2016 en 2017. Bij ongewijzigde omstandigheden c.q. afspraken met de stichting zal dit echter tot dezelfde conclusie leiden voor het wel of niet meetellen voor de fosfaatruimte.