Pacht en bedrijfsmatige exploitatie

Pacht en bedrijfsmatige exploitatie

Bij pacht is het van belang dat het gepachte bedrijfsmatig wordt geëxploiteerd door de pachter. Indien dit niet het geval is, kan de verpachter met succes een beroep doen op het tekortschieten van de pachter en ontbinding van de pachtovereenkomst vorderen. Of er sprake is van bedrijfsmatige landbouw wordt beoordeeld op basis van:

  • de omvang van het bedrijf;
  • de vraag of de voor toekomstige winstkansen noodzakelijke investeringen plaatsvinden;
  • het redelijkerwijs te verwachten ondernemingsrendement;
  • de vraag of de gebruiker een hoofdfunctie buiten de landbouw heeft.

Een pachter hoeft op zich niet aan al deze voorwaarden te voldoen.

Of er sprake is van bedrijfsmatige exploitatie is regelmatig onderwerp van discussie in rechtszaken. De pachtkamer oordeelde onlangs dat de bewijslast rust op de verpachter. Wel zal de pachter bij betwisting informatie (zoals boekhoudstukken en gecombineerde opgaven) moeten verschaffen aan de verpachter. In die zaak had verpachtster al jaren een perceel grond verpacht aan haar neef, die een kleinschalig akkerbouwbedrijf exploiteerde. Gemiddeld over de laatste tien jaren haalde deze neef een bedrijfsresultaat van € 9.000 per jaar. Hij had daarnaast een fulltimebaan buiten de deur.

Verpachtster stelde dat haar neef tekortgeschoten was in de magere en verliesgevende jaren van het bedrijf. Gelukkig was de pachtkamer het hier niet mee eens. Het is niet noodzakelijk dat de pachter voortdurend een (aanzienlijke) winst behaalt. In de landbouw is dat bovendien een onmogelijk vereiste, omdat rendementen soms jarenlang onder druk staan. Het bedrijfsresultaat is van veel factoren afhankelijk, die lang niet altijd aan de pachter kunnen worden toegerekend. Het is volgens de pachtkamer van belang dat de onderneming is gericht op winst en de voor de toekomst noodzakelijke investeringen plaatsvinden. De pachter had in dit geval de laatste jaren geïnvesteerd in grond en een machineberging. Ook zorgde hij zelf voor het onderhoud van het uitgebreide, maar verouderde machinepark. Daarnaast stelde zijn werkgever hem in de gelegenheid zijn werktijd flexibel in te richten. Daarmee had hij voldoende tijd om de werkzaamheden op het bedrijf zelf uit te voeren.

Dat, zoals verpachtster stelde, de meeste werkzaamheden werden uitgevoerd door de loonwerker, liet de pachtkamer buiten beschouwing. Deze stelling was niet onderbouwd en bleek ook niet uit de stukken.